banner

Hondenrassen

 
Navigatie
   Woefkesranch
 
FranÁais English Deutsch

Betaling - Reservatie


 

Bezoek ons!
Visitez nous!
Come visit us!
Besuchen sie uns!
 

 

Print Friendly and PDF

Geschiedenis van de Teckel

Er bestaat geen geschiktere hond voor de jacht onder de grond dan de Teckel, zoals de Dashond ook wordt genoemd. De reden hiervoor vormt zijn wel heel specifieke lichaamsbouw: hij kan in de kleinste holen komen, terwijl hij door de constitutie van zijn voorhand een uitstekend graver is. Toch is hij geen Terrier, maar een rechtstreekse afstammeling van de brakken. Hij jaagt overigens op dezelfde wijze als een lopende hond op hazen en zelfs op groot wild. Dat de Dashond een `lopende' hond wordt genoemd mag verwonderlijk heten, omdat hij in verhouding tot zijn lichaam wel heel korte benen heeft. Uiteraard wordt bij de jachtkwaliteiten van deze hond niet gesproken over de lange jacht, maar over de jacht onder het geweer. Als het wild weet dat het wordt achtervolgd door een kleine, langzame en luid blaffende Teckel, zal het dier zich niet bijzonder ongerust maken. Het gaat er niet razendsnel vandoor, maar heeft niet in de gaten dat de Teckel hem binnen bereik van de jager brengt.

Deze hond is ingedeeld in de rasgroep van de Dashonden en Lopende Honden. De Teckel heeft namelijk dezelfde aard als de Lopende Honden, wat ook wordt bewezen door z'n herkomst en geschiedenis.

Het staat vast dat er al heel vroeg kortbenige brakken hebben bestaan. In een neolithische grot in de buurt van Vence in Frankrijk, zouden fossiele resten zijn gevonden van kortbenen. Ook is bekend dat er in de Egyptische kunst laagbenige honden werden afgebeeld. Ze zouden zijn ontstaan in de tijd van het keizerrijk tijdens de regering van Sesostris (2100-1850 v. Chr.). Een uiterst merkwaardige samenloop van omstandigheden is dat deze Egyptische hond, die vooral werd gebruikt als waakhond, wellicht 'tekal' heette. Daar moet echter niet uit worden afgeleid dat het om de werkelijke voorvader van de Dashond ging, want daarna werd de tekal uit het oog verloren.

Betrouwbaarder is het spoor van de Europese kortbenige brak, die in de middeleeuwen is ontstaan. De jagers uit die tijd profiteerden snel van deze 'veranderde' brakken, die de verkorting van de benen te danken hadden aan een verschijnsel dat dyschondroplasie heet. Deze honden waren toen niet alleen een speling van de natuur, maar bleken ook echt heel nuttig te zijn voor de jacht onder de grond. Zo verscheen in Germaanse geschriften van de 14e eeuw de benaming 'Dachshund'. Dit gebruik van de lopende hond werd bevestigd door de middeleeuwse schrijver Du Fouilloux: 'Onder deze honden, die uit Vlaanderen en Artois komen, zijn er die kromme benen hebben en doorgaans kortharig zijn, en zijn er andere met rechte benen die gewoonlijk langharig zijn. De variŽteit met kromme benen dringen gemakkelijker in de grond door dan de andere en ze zijn geschikter voor dassen.'

Artois en Vlaanderen liggen niet ver verwijderd van het geboorteland van de Dashond, Duitsland. Dit land heeft geen traditie op het gebied van de lange jacht. Men hield zich daar dus logischerwijs vooral bezig met het selecteren van kleine brakken en lopende honden, die nuttiger voor jagers waren dan snelle, grote en woeste honden.

In een bijzonder complete studie over de jacht onder de grond, wordt verwezen naar een aantal afbeeldingen en geschriften uit de 18e eeuw over de Dashond. In 1719 verscheen het eerste boek dat voor een belangrijk deel gewijd was aan dit ras: Der Voilkommene Teutscher Jager, van Flemming. Flemming schreef in zijn boek over allerlei jachthonden. Hij noemde onder andere een hond waarvan de kop te dik is, de achterhoofdsknobbel te hoog, de staart te veel gebogen, maar die het lichaam heeft van de Dashond. Ook vermeldde hij met betrekking tot de jacht op de das dat men 'daarvoor het liefst kortbenige, onverschrokken, bijterige honden moet nemen, die zin hebben in scheuren en slepen'. Misschien noemde Flemming niet de Dashond als zodanig, maar het is erg aannemelijk dat het hier ging om een voorvader van de huidige Teckel. Een Franse gravure uit 1723 toont een jacht onder de grond met behulp van Dashonden. Hieruit zou men kunnen afleiden dat de Duitsers in die tijd een begin maakten met de export van deze honden.

Ter ondersteuning van deze gedachte kan worden verwezen naar een beroemd schilderij van Jean-Baptiste Oudry (1686-1755). Hij was de schilder van honden en jachttaferelen van de Franse koning Lodewijk XV. Dit schilderij laat een prachtige laagbenige brak zien, die een treffende gelijkenis vertoont met de Dashond. Dat geldt dan vooral voor zijn lichaamsbouw, de vorm van zijn hoofd, zijn oordracht en zijn kleur (black-and-tan). Als de Dashond een zeer oude brak is, resteert toch de vraag waar zijn korte benen dan precies vandaan komen ofwel: van welk ras de Teckel de kortbeen is. Onder de Duitse honden komen veel rassen voor die overeenkomsten vertonen met de Dashond: de bloedhonden, zoals de Hannoveraanse Schweiszhund en de Beierse Bergspeurhond, en vooral de 'Bracken' zoals de Dasbrak, de Westfaalse Brak of de Tiroler Brak. Deze honden hebben kortere benen dan bloedhonden, maar langere benen dan de Dashond. Verder zijn hun gestalte, hoofd, oren en kleur gelijk. Ook deze overeenkomsten pleiten voor een bepaalde verwantschap. De Dashond is echter lichter van bouw. Dat geldt zelfs voor de uitgestorven Teckels van het `zware' type (gewicht tot 13 kg). Die lichtere bouw van de Dashond kan worden verklaard door de inbreng van pinchers, die bekend staan om hun levendigheid en daarom werden gekruist met de Dashond, met het oog op de dassenjacht.

De Teckel mocht dan als jager al heel lang bestaan, zijn intrede als gezelschapshond vond pas later plaats. Maar daarvoor voert hij ons van Duitsland rechtstreeks naar Engeland. In 1839 ontmoette koningin Victoria prins Albert van Saxen-Coburg-Gotha. Bekend is dat zij dol werd op de lievelingshonden van de prins, en er tenslotte ťťn meenam, de beroemde Dashy. Toen zij een jaar later met de prins trouwde, werd deze begeleid door een meute Dashonden. Verder is bekend dat koningin Victoria ook veel andere rassen een gunst bewees door ze op te nemen. Op die manier bezorgde zij de honden bekendheid in Engeland, waarvan de Dashond echter als eerste profiteerde.
Terwijl hij in Duitsland prestaties leverde als jachthond, werd hij in Groot-BrittanniŽ een echte gezelschapshond. In 1866 verscheen hij op Engelse tentoonstellingen, en zeven jaar later erkende de Kennel Club hem officieel als ras (na de tentoonstelling in het Crystal Palace in Londen). De Britse Club, die in 1881 werd opgericht, was de eerste Teckel Club ter wereld. Er wordt wel beweerd dat Engeland de belangrijkste rol heeft gespeeld in de ontwikkeling van het ras, en dat de wereldpopulariteit van de Dashond aan dit land is te danken. Maar die rol moet wellicht worden beperkt tot de Angelsaksische landen. Via Engeland kwam de Dashond omstreeks 1870 in de Verenigde Staten en Canada terecht. Eerst werden een paar exemplaren ingevoerd voor de jacht, en vanaf 1880 is men begonnen ze tentoon te stellen. In 1885 werd de Amerikaanse rasvereniging opgericht. Voor de ontwikkeling van de Dashond in de rest van de wereld moet de eer echter worden gelaten aan Duitsland.

In zijn geboorteland werd de aanleg van de Dashond als gezelschapshond ook snel duidelijk. Zo schreef Freiherr von Daake in 1860: Een Teckel moet worden opgevoed als een jachthond'. De Duitse rasvereniging werd in 1888 opgericht door Emile Ilgner, die tevens in 1896 het eerste boek over Teckels schreef. De benamingen Teckel en Dashond werden toen al beide naast elkaar gebruikt. In 1810 bestonden weliswaar alleen nog de namen 'DŽchsel' en 'Dachshund', maar 'Teckel' is daar later bijgekomen.

De langharige Teckel was er al in de 18e eeuw. Op een gravure van J.E. Ridinger (1698-1767) bijvoorbeeld, is een exemplaar te zien met bevedering aan staart, voeten en flanken. Dat er veel over de langharige Dashonden bekend is, komt doordat deze variŽteit de gezelschapshond is geweest aan veel vorstelijke hoven. Uit onderzoeken van R. Klotz blijkt dat men al tijdens de regering van Johan Georg 11 (1660-1693) Dashonden kruiste met kleine Duitse Staande jachthonden, die de Teckel wat meer gedwee moesten maken. Aan het eind van de 18e eeuw hebben deze kruisingen geleid tot de vorming van een gewaardeerde lijn van honden, die door een zekere A.W. Leopold WŽpke werden gefokt. Vandaar de naam 'WŽpkeras', die aan deze langharige Dashonden werd gegeven. Het schijnt echter dat deze lijn aan het eind van de 19e eeuw nagenoeg was verdwenen.

Het 'Ranggerras' werd genoemd naar Joseph Rangger van het koninklijk huis in Beieren. Ook dit waren langharige Dashonden, die zeer op prijs werden gesteld door Koning Maximiliaan 1 van Beieren (17791825). Deze hond werd voor het eerst in 1858 door Rangger veredeld, en lijkt het begin te zijn geweest van de meeste langharige Teckels. In 1888 werd er speciaal voor deze variŽteit een club opgericht, die echter al snel werd opgeslokt door de Teckel Club.

In 1860 werden 50 Dashonden ter keuring aangeboden aan de commissie die zou kunnen besluiten ze in het Duitse Hondenstamboek op te nemen, wat dan ook lukte. In 1879 vond een discussie plaats over het front van de Dashond. Von Daake vond de hond te grof en te massief (sommige dieren wogen 12 kg). Dit was toen aanleiding om een modernere fokrichting in te slaan. De Dashond werd gefokt om geschikt te zijn voor de jacht op de vos en de das, maar ook voor bovengronds werk. Dit vereiste een lichtere hond.

Aangenomen kan worden dat de ruwharige Dashond zeker net zo oud is als de langharige variŽteit. Alleen is zijn verleden veel onduidelijker.Waarschijnlijk met het oog op de dassenjacht zag men al snel de voordelen van kruisingen met ruwharige Pinschers. Deze honden, die juist bekend stonden vanwege hun levendigheid en kribbigheid, werden lange tijd 'stalgriffon' genoemd en kregen later de naam 'Schnauzer'. De eerste keer dat de ruwharige Dashond wordt genoemd, dateert van 1883. Kapitein von Wardenburg stelde toen een exemplaar tentoon dat luisterde naar de naam 'Mordax', en bekend stond als zijnde de kruising van een Dashond met een ruwharige Pinscher. Selectief doorfokken met deze honden leidde tot het ontstaan van de latere Schnauzer.

Andere rassen die hebben bijgedragen tot de vorming van de ruwharige Dashond, zijn in het bijzonder de Dandie Dinmont Terrier en wellicht ook de Schotse Terrier. Bepaalde bijzonderheden van deze honden (hoogbenige gestalte van de Schnauzer, 'zacht' haar en een kuif op het hoofd van de Dandie) doken zo nu en dan weer op bij Teckels. De ruwharige Dashond werd ook in Nederland en BelgiŽ een graag geziene gezelschapshond. In 1988 stonden twee ruwhaarvariŽteiten op de lijst van de populairste 20 hondenrassen (de zogenaamde 'Top-twintig'). Deze lijst wordt jaarlijks door de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland samengesteld aan de hand van het aantal per jaar aangevraagde stambomen per ras. De ruwharige Dashond kwam in 1988 met 1053 aangevraagde stambomen op plaats 11, en de ruwharige Dwergdashond, met 657 aangevraagde stambomen, op plaats 17.

De eerste standaard van het ras dateert van 8 mei 1925. Deze vermeldde drie grootten: het 'zware' type (boven de 7 kg, en tot 13 kg), het middentype (niet zwaarder dan 7 kg), en het dwergtype (waarvan het maximumgewicht was gesteld op 4 kg). Op 9 mei 1947 wijzigde de Duitse Teckel Club deze schaalverdeling. De hond moest over het algemeen lichter worden en het standaardtype mocht niet boven de 9 kg uitkomen. De `Dwergteckel' mocht met 18 maanden maximaal 4 kg wegen en de 'Kaninchenteckel' (wat letterlijk Konijnenteckel betekent) 3,5 kg, eveneens met 18 maanden. Inmiddels is het in de standaard zo bepaald dat niet het gewicht van de hond maatgevend is, maar de borstomvang. De Dwergteckel is qua lichaamsbouw, beharing en kleur volkomen gelijk aan de gewone Dashond. Het verschil zit in de borstomvang. Die mag bij de Dwergteckel die de leeftijd heeft bereikt van ťťn jaar niet meer dan 35 cm bedragen. De Kaninchenteckel mag op de leeftijd van ťťn jaar een borstomvang hebben die niet groter is dan 30cm.

Na de Tweede Wereldoorlog maakte de Duitse fokkerij een enorme ontwikkeling door. Hierbij werden 10.000, 15.000 en ook wel 20.000 geboorten of meer per jaar bereikt. Dit betekende dat het ras na de Duitse Herdershond de populairste rashond was in de Bondsrepubliek.

Zoals altijd richtte deze fokkerij zich opeen zeer strenge selectie. Er ontstonden waardevolle lijnen, waaruit honden werden geboren die in staat waren om in alle onderdelen van de Duitse jacht uit te blinken. De Duitsers stelden op het gebied van de veelzijdigheid van jachthonden nu eenmaal zeer gedetailleerde en grondige eisen. Maar behalve dat heeft Duitsland ook een massafokkerij gekend die niet de jacht tot doel had. De dieren die hieruit voortkwamen werden niet zonder meer erkend door de VDH (de tegenhanger van de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland). De afstammelingen van deze fokkerij werden geregistreerd door onofficiŽle instellingen, die niet door de FCI waren toegestaan. Dit verschijnsel wordt hier aangehaald, omdat een aanzienlijk aantal van deze honden in de zestiger en zeventiger jaren is uitgevoerd, met name naar Frankrijk. Dat gebeurde terwijl de teckelrage in Frankrijk net in volle gang was.

Om een beetje een idee te geven van de ontwikkeling die de fokkerij van Dashonden heeft doorgemaakt in Duitsland, zegt het volgende voorbeeld genoeg. Het dorpje Gerweiss was ťťn van de belangrijkste centra van de 'Teckelproductie'. Het telde op een gegeven moment bijna 500 fokkers, allemaal gespecialiseerd in de Dashonden, op een inwonertal van 800!

Als we de situatie van het ras in zijn geboorteland bekijken, kan worden geconstateerd dat aan het einde van de jaren '30 de kortharige variŽteit al was ingehaald door de andere variŽteiten. Deze ontwikkeling zette zich in de jaren '60 en '70 door, toen er sprake was van een belangrijke ontwikkeling van de ruwharige Dashond en vooral een enorme opbloei van de langharige. Nu is de ruwharige variŽteit de grootste, terwijl de kortharige variŽteit 10-12 maal minder exemplaren telt dan de andere twee variŽteiten.

De Dashond is sinds 1873-1874 niet meer weg te denken uit Nederland en BelgiŽ. In dat jaar verschenen de eerste exemplaren op tentoonstellingen die werden georganiseerd door de Hollandse Maatschappij voor Landbouw. Het waren Duitse Dashonden, die nog 'Waldmanns' werden genoemd. In 1874 werd een, voor die tijd niet gering bedrag van Hfl.150,-- voor een exemplaar gevraagd. Het ras werd echter pas populair nadat het verscheen op de door de Nederlandse Kennelclub georganiseerde tentoonstelling Cynophilia.

De eerste Dashond die in het Nederlands Hondenstamboek werd geregistreerd, was Dinchen van de heer toe Laar uit Baarn. Kort daarop werden de Teckels uit de kennel van Jhr. J. van Citters (v. Waldine) uit Den Haag bekend. Het eerste in Nederland gefokte nest Dashonden werd in 1887 in het Nederlands Hondenstamboek opgenomen. Het werd gefokt door F.L.S. van Heekeren uit Amsterdam. Het tweede nest, gefokt door de heer G. Vrolik uit Doesburg, werd het jaar daarop ingeschreven. Vanaf -1891 verschenen uit de kennel 'v. Waldine' door Jhr. van Citters gefokte Dashonden op tentoonstellingen. In hetzelfde jaar organiseerde de Brusselse Teckel Club Beige tijdens de open hondententoonstelling in het Parc du Cinquantenaire de eerste publieke werkproeven voor Dashonden. Ze jaagden in kunstmatig gebouwde aardholen op de vos en de das. In 1894 was het dan zover, dat 22 van de 28 op een tentoonstelling ingeschreven Dashonden in Nederland waren gefokt.

De Teckel - met name de korthaar - is een tijdlang geweldig populair geweest. Talrijke bekende persoonlijkheden - onder andere uit de amusementswereld - hadden deze grappige, maar tegelijkertijd ernstige en aantrekkelijke hond als gezelschapshond, wellicht omdat hij zo totaal anders is dan alle andere honden. Deze mensen hebben er in belangrijke mate toe bijgedragen dat de Dashond algemene bekendheid kreeg.

Natuurlijk heeft deze bevlieging tot gevolg gehad dat er niet alleen veel Dashonden werden geboren, maar dat er ook veel slechte exemplaren tussen zaten. Ook ontstonden er misverstanden omdat mensen de ware aard van de Teckel niet kenden. Het is een schrale troost om te zeggen dat dit ook in veel andere landen is voorgekomen, ook in Duitsland.

Er is geen twijfel mogelijk dat de jacht niet het enige is wat de Teckel te bieden heeft. Tijdens de jacht onder de grond en het opsporen van aangeschoten groot wild toont hij natuurlijk zijn kwaliteiten. Zijn aanleg voor de jacht in het bos - in lage bebossing - is onmiskenbaar, maar de concurrentie is zwaar en er zijn veel andere zeer geschikte, talentvolle jachthondenrassen. Door zijn lichaamsbouw en aard is de Dashond echter ook een uitstekende gezelschapshond.

bron: mijn hond, mijn vriend

 


© 2000 Woefkesranch, Slameuterstraat 29, 2850 Peulis (Putte) - (+32)015/75.59.42 - info@woefkesranch.be - Disclaimer - Sitemap - Links